Afdrukken

brasemDe volwassen brasem heeft een typische ruitvorm, is afgeplat en heeft een lange aarsvin en een korte puntige rugvin. Zo kunnen ze 's zomers wel herkend worden als het zuurstofgebrek ze naar de oppervlakte dwingt. De vinnen zijn grijzig of zwart en nooit gekleurd. In de paaitijd kunnen mannetjes herkend worden aan de paaiuitslag, keiharde wratjes op de kop en kieuwdeksel.

De kleur is variabel en hangt sterk samen met de helderheid en begroeiing van het water. Bij helder begroeid water krijgt de brasem een bronzen kleur, in rivieren en troebele plasjes is hij meer zilverachtig met een wat gelige gloed.

 

Zeer jonge brasems worden meestal niet als zodanig herkend omdat de visjes dan nog heel slank zijn. Ze zijn zilverachtig, sterk afgeplat en hebben een lange aarsvin. Ze kunnen worden onderscheiden van voorns door het afgeplatte lichaam en de lange aarsvin. Van kolblei alleen door de schubben te tellen (met behulp van foto of loep).

De brasem wordt vaak verward met de kolblei, maar eigenlijk is het vrij simpel de soorten uit elkaar te houden. De kolblei heeft aan het begin van zijn gepaarde vinnen een rode vlek, de brasem heeft borstvinnen die tot voorbij de aanhechting van de buikvin komen. Een andere manier om ze te onderscheiden is de geur, brasem heeft een heel sterke geur (en veel slijm), kolblei ruik je niet zo snel. Bovendien is bij de kolblei de diameter van het oog gelijk aan de afstand van de bek tot het oog. Bij brasem is dit niet zo. De kolblei heeft dus in verhouding een groter oog.

Bij deze dieren moet je goed kijken om het verschil te zien. Het meest betrouwbare kenmerk zijn de grovere schubben van kolblei. Door de schubben van de zijlijn tot de voorkant van de rugvin te tellen kan uitsluitsel worden verkregen. De kolblei heeft er 10 of minder. Ook andere verschillen kunnen worden gezien, zoals de zilveren kleur en stompe kop van de kolblei zijn op de foto te zien, maar ze zijn subtiel en moeilijk op het eerste gezicht te zien.

In elk water dat groot genoeg is komt in Nederland brasem voor. Ze komen veel voor in kleine en grote rivieren, maar ook in sierwater, polderwater, zandafgravingenen kanalen.

De brasem is een scholenvis, zelfs de heel grote exemplaren komen nog in kleine groepjes voor. Op gunstige plaatsen graven de brasems gezamenlijk in de modder of het zand, waar ze eetbare bodemdiertjes uitfilteren. Modder en plantendelen worden weer uitgespuugd. Soms schakelen brasems over op watervlooien of andere diertjes in de middelste waterlagen. Ze prefereren de diepere gedeeltes van het water. 's Avonds en 's nachts azen ze wel vaak op ondiep water. Soms zijn ze overdag in de 10 tot 15 cm grote 'brasemputten' te zien langs ondiepe oevers.

De brasems paaien in mei en juni. Als de weersomstandigheden verslechteren wordt de paai vaak weer onderbroken om ze later weer te hervatten.

Ze paaien in de oevers en zelfs langs rivierkribben, maar bij voorkeur wordt zeer ondiep water opgezocht. De mannetjes verdedigen kleine territoria, waar ze andere mannetjes uit verjagen. De vrouwtjes produceren afhankelijk van de grootte 90.000 tot 300.000 eitjes. De kleverige eitjes worden op plantenmateriaal afgezet. Na het dooierzakstadium vormen de brasems scholen in de oeverzone.